zondag 21 juni 2009

Kanshebbers op de Gouden Griffel (2)

Edward van de Vendel & Floor de Goede – Opa laat zijn tenen zien – en andere stripgedichten




Stripgedichten, ze zijn nieuw en ze gaan zo:

Ik had – de kat – uit mijn klauwen laten vallen...
dus de kat werd kwaadEn hoewel een kat niet praat zei ik SORRY tegen hem...
“Maar laten we niet gaan staan mauwen met z'n allen...
we zijn tenminste groot.
We kunnen tegen een stootje”
“O ja?”
zei de kat
en haakte me pootje.


En daar dan plaatjes bij, van de kat die valt en pootje haakt. Edward van de Vendel schreef 21 gedichten en Floor de Goede hakte de verzen op in partjes en maakte er tekeningetjes bij die in stripvorm zijn afgedrukt. Het resultaat is verbluffend. Dat is vooral te danken aan Floor de Goede, die het beste uit zich zelf heeft gehaald in deze bundel. De Ik ben geen stripfanaat maar ben meteen fan van Flo. Hij had een dagelijkse strip in het AD maar die is wegbezuinigd en nu staat ie volgens mij niet meer in de krant. Jammer, er moet toch ergens een plekje voor hem te vinden zijn? De Goede's tekeningen zijn grappig en gevarieerd en hij heeft alle mogelijkheden van deze stripvorm met gedichten ten volle benut. Soms is 1 tekening genoeg, soms moet alles binnen de lijntjes, of juist er buiten of wordt het decor (stadsmuziek) de vorm. Ook het kleurgebruik is ondersteunend. Het blijven stripjes en dus vaak heel eenvoudige tekeningetjes maar er zitten ook echt mooie platen tussen zoals in Mijn zusje en mijn oma of Lek, die toevallig beiden over slecht weer gaan. De Goede kan blijkbaar goed een storm neerzetten.

De gedichtjes zijn soms een beetje treurig. Over een jongetje dat onder een boom zit te mokken omdat zijn bal vast zit in de takken. Wat leidt tot de briljante zin:

En als je nog eens durft te vragen – jochie heb je straf? – dan schreeuw ik – nee ik ben een voetbalvogel – en ik broed – van onderaf.

Of over het jongetje dat niet kan voetballen en alleen door zijn verschijning op het veld al een strafschop waard is. Kleine verhaaltjes en schetsjes die klinken als een klok. Niet allemaal even sterk of noodzakelijk en niet altijd vrij van dwangrijm maar Edward van de Vendel toont zich hier opnieuw de alleskunner. Het gevaar van zo'n schrijver die op veel levels kan schrijven (makkelijk, moeilijk, grappig, poetisch, serieus) is dat het niveau gaat lijden onder de grote productie. Maar dat is in deze bundel gelukkig niet het geval. De meeste gedichten blinken uit door de eenvoud, de kortste zijn ook nog eens de beste. Het titelgedicht over de tenen van Opa die in een strenge winter bevroren zijn, is een juweeltje. Het laatste regeltje is:
Ik tel ze en ik tel ze, en ik, kom maar niet aan tien. In dat zinnetje en dat plaatje komt alles bij elkaar wat deze bundel zo sterk maakt.

De gedichtjes gaan nog meer leven als je ze hardop voorleest en daarom is dit ook een uitermate geschikt als voorleesboek. Een erg leuke bundel dus. Pretentieloos, vakkundig en geestig: ik schoot regelmatig hardop in de lach. Hopelijk werkt het duo niet voor de laatste keer samen, ik wil meer!

Jaaps boekencijfer: 8.4

1 opmerking:

Lena zei

er komt meer! Maar ik weet ook niet meer wanneer... (Kijk es: je gaat er vanzelf door rijmen...:-))